|
BU 12
|
HET SCHEEPSTYPE BOTTER
De botter is een scheepstype dat vroeger gebruikt werd voor de visserij op de Zuiderzee.
Het scheepstype ontstond geleidelijk aan. De geringe diepte van de Zuiderzee leidde tot de ontwikkeling
van rond- en platbodems zonder kiel, met zwaarden.
De botter is een platbodem.
De zwaarden zorgen ervoor dat deze schepen niet "verlijeren", zijwaarts wegdrijven.

Bijzonder zijn:
De ongestaagde mast, met alleen een massief ijzeren voorstag. De vissers werden dus niet gehinderd door de zijverstaging.
Het lage achterschip, dat was gemakkelijk voor het binnenhalen van de netten.
De grote fok, die tot ver voorbij de mast reikt, noodzakelijk om veel trekkracht voor het slepen van de netten te leveren, maar moeilijk hanteerbaar bij het laveren. Deze grote lap zeil wordt met maar één schoot bediend, ook weer om geen last te hebben van een schoot op de plek waar gewerkt moet worden.
Bij niet te veel wind kan voorop de kluiver worden gehesen
en achter de bras (of aap, of bezaan).
In de bun kon vroeger, toen er nog geen koeling aan boord
was, de vis redelijk vers worden gehouden.
Dode vis leverde niet veel op.